Aan de noordkant van de Aachener Straße strekt de oudste begraafplaats van Keulen zich uit: Melaten. Al in de Romeinse tijd werden hier mensen direct langs de weg begraven. Niet alleen de naam van de begraafplaats (Frans malade = ziek), maar ook de kapel "Heilige Maria Magdalena en Lazarus" van het voormalige leprozenhuis uit 1245 herinneren aan de voorgeschiedenis van deze plek. Het leprozenhuis, voor het eerst vermeld tegen het einde van de 12e eeuw, lag op ongeveer 1,6 kilometer van de middeleeuwse stadsmuur. Hier woonden – geïsoleerd van de rest van de bevolking – mensen met besmettelijke ziektes zoals melaatsheid (lepra).
Schuin ertegenover, bij een splitsing in de weg, was een openbare executieplaats, de "Rabenstein". In 1529 werden de twee protestantse martelaren Peter Fliesteden en Adolf Clarenbach er als ketters terechtgesteld omdat ze zich tot Maarten Luther bekenden. Vrouwen en meisjes die als heksen waren veroordeeld, werden daar aan het begin van de 17e eeuw verbrand. De laatste terechtstelling vond plaats in 1797: een grote menigte verzamelde zich bij de galg voor de executie van de kerkrover Peter Eick.
In 1804 vaardigde Napoleon zijn Keizerlijk Decreet I over begrafenissen uit. De begrafenissen in en rond de Keulse kerken die tot dan toe gebruikelijk waren, werden nu verboden. Ferdinand Franz Wallraf ontwierp toen de centrale begraafplaats aan de Aachener Straße als een park naar het voorbeeld van de begraafplaats Père Lachaise in Parijs. In 1810 werd de begraafplaats ingehuldigd en in de daaropvolgende decennia vier keer uitgebreid. Beroemd is de "Millionenallee", zo genoemd naar de dure en fraai versierde graftombes die rijke Keulse families er lieten bouwen. Ze is bewust evenwijdig met de loop van de Via Belgica aangelegd als een prominente oost-westas van de begraafplaats.